Home

Zeven jaar geleden had ik de eer om voor het afstudeerproject van fotograaf Derk Alberts een vergezellende tekst te schrijven. Ik heb de tekst en serie sindsdien niet meer gezien totdat Derk me laatst ineens de PDF stuurde. En ik zal hier opschrijven wat ik hem toen ook schreef: “Weet je, eigenlijk is dit nog helemaal zo slecht nog niet.” Daarom hier in reprise: Aerotropolis en Interim B.V.

AEROTROPOLIS

Door Derk Alberts

AE01

AE02

AE03

AE04

AE05

AE06

AE07

INTERIM B.V.

Door Gijs Peetsold

Wind en pijlen gaan je leven beheersen. Je volgt de pijlen van gate naar gate, ingang naar uitgang en andersom. Naar de plee, de taxfreewinkel, de bagleshop, de rokerzone. Pijlen op de weg vertellen je welke rijstrook te volgen, een pijl met een streep erdoor is als een muur. Je reis begint met pijlen: het kleine pijltje op je scherm, dat de mail opent die je vertelt welke andere pijlen je vandaag volgen moet. Dikke pijlen, dunne pijlen, pijlen met een open kop of juist gesloten, met een lange staart of een korte, lichtgevend, knipperend, fluorescerend, neon of simpel zwart op een geel bord. Pijlen naar rechts, links, onder, boven. Pijlen de hoek om.

Overal waait het. Overal wind. Binnen is er de airconditioning. Dezelfde lucht, gerecycled, continu rondgepompt door een doolhof van buizen blaast je vanuit het plafond in je gezicht. In de lange gangen van gate naar gate, in de terminal, in het vliegtuig zelf, overal airco. Het is pas bij de security-checkpoints dat deze eeuwige wind even aflaat. Daar breekt ze op een dicht samengepropte mensenmassa verhit door ongeduld en angst. Klam zweet omvat je voorhoofd, het hemd plakt onder je jasje aan je rug.

Eenmaal binnen, bezweet, betast en veilig verklaard, koel je weer af. Het vocht verdampt, en wordt aan je onttrokken door de droge lucht. Een flinterdunne korst transpiratiezout blijft achter op je gezicht, op je oogleden. Het bloed trekt zich terug. Je ogen en je keel worden koud. Op de rolbanden richting de gates volgen honderden paren rode ogen elk hun eigen pijl. De marmeren vloer nodigt helaas niet uit tot een flinke rochel, dus die slik je maar weer in. Je keel doet pijn.

Buiten jaagt de wind de vliegtuigen na en trekt ze aan alle kanten aan zielige stukjes groen. Aan de jonge boompjes, aan de vlaggen met corporate logo’s, aan het onkruid dat tussen de nooit bewandelde stoeptegels leeft. Op die stoep hoor je niet te komen. Buiten staan de pijlen op de weg, voor de auto’s. Een wandelaar kan ze niet volgen. Waarom dan toch een stoep?

Als je de taxi bent uitgestapt torent de glazen façade hoog boven je uit, glimmend en spiegelend en omlijst met chroom of met natuursteen. Je ziet jezelf erin, maar het beeld is vertekend. Stijg je daar de trap op en ga je de automatische schuifdeuren door, dan zie je na jezelf haar.

We noemen haar de Poortwachter. Haar hoofdje steekt net boven de enorme balie uit. Wat zij van je verlangt is geen reden waarom je er bent, noch wil ze weten wat je komt doen. Ze verlangt alleen maar een naam en niet eens de jouwe. Ze wil de naam van degene met wie je de afspraak hebt. Ook deze naam kent ze niet, maar bij die naam hoort een toestelnummer dat ze bellen kan. Soms wordt je aangeboden even plaats te nemen. In mijn vak eigenlijk bijna altijd. Waar je ook voor komt, welke vernietiging, of liever, vernieuwing je ook beoogt, de Poortwachters wil is wet: moet je zitten, dan ga je zitten.

Deze balie is half rond, van boven breder dan van onder, afgezet met chromen lijsting. Gemaakt van licht hout, gezet in verticale planken en transparant gelakt. Zij zit precies in het midden, haar in een knot, een nietszeggend dienstpakje aan. Representatief, maar voor wie? Haar ensemble vertegenwoordigt niet haar werk- gever, maar alle Poortwachters, overal. Is zij anders? Of maken de miniemste verschillen op den duur een veelheid van wat altijd een eenheid heeft geleken? De pijlen hebben me naar haar geleid. De klik van een muis was de eerste stap in een tocht naar nergens. Van glazen pui naar glazen pui. Een reis binnen dezelfde ruimte, waarin plaatsen alleen gescheiden worden door een bepaalde tijd in een oncomfortabele vliegende wachtkamer. Als je wereld één plek lijkt, resteert slechts nog de tijd om te bepalen waar je bent. Om twee uur ben ik hier, om acht uur ben ik daar. Ik kan nu al zien waar ik morgen zal zijn als ik in mijn agenda kijk.

Is zij anders? Ze lacht naar me als ik mijn naam geef. Ze heeft al van mijn komst gehoord. Ze zegt dat mensen hier zenuwachtig zijn, maar ze vind me er niet gevaarlijk uitzien. Ik sta aan die balie, ogen bloeddoorlopen, keel schor en het handvat van mijn koffer klam in mijn vingers. Ik ben me bewust van mijn eigen lichaamsgeur. Ik heb mijn tijd in de wachtkamer gebruikt om me voor te bereiden op deze eerste meeting, en humor, of liever, flirt, is het laatste waar ik op gerekend heb. Waarom zou ik daar ook op rekenen? De stewardess glimlacht altijd plastic, de Poortwachter heeft haar ogen altijd naar beneden gericht en de taxichauffeur haat me gewoon. In een wereld vol geveinsde vriendelijkheid valt er bar weinig te lachen, en nog minder te neuken.

Ze komen me zo halen, zegt ze. Maar in plaats van me te verzoeken even plaats te nemen vraagt ze me wat het nou precies is dat ik kom doen, dat iedereen zo bang voor me is. Ik antwoord haar:

‘Ik ben de interim. Mijn aanstelling betekent dat er verandering op komst is. En mensen… houden niet van verandering.’

‘Oh, nou…’ zegt ze ‘Ik kan anders wel wat verandering gebruiken.’

Die had ik niet verwacht. Ik heb geen repliek, staar haar beduusd aan, verward bijna. Dan hervind ik mezelf en nu lach ik naar haar. Ze is mooi. Ik vind zelf mijn weg naar het rijtje stoelen bedoeld voor de wachtende bezoeker, de afspraakhebbende die de juiste naam te noemen wist en even plaats mag nemen.

Mensen houden niet van verandering. Wat ze vergeten is dat verandering constant is. Constant en onvermijdelijk. Alles stroomt. Maar de rivier stroomt wel altijd één kant op. Van hoog naar laag, van berg naar dal, van dal naar zee. Er zijn regels. Er is een principe. Voor bedrijven is dat principe eenvoudig. Die moeten geld verdienen. Met veranderende inzichten, technieken en omstandigheden verandert ook de manier waarop een bedrijf dit doet. De constante is dat het bedrijf gereedschappen gebruikt om te maken wat het maakt: machines en computers, gebouwen met een glazen pui. Leasebakken. Kapitaal en… Human Resources.

Wat dan verandert is het individuele gereedschap dat gebruikt wordt. Talent en competentie: de eisen veranderen. Niet iedereen kan daar in mee. Out with the old, in with the new, soms is het nodig. Een kapotte hamer vervang je, een machine schrijf je af. En The Human Resource is soms ook aan vervanging toe. Maar een mens vervang je niet zo maar. Al was het maar omdat de mensen die het vervangen waard zijn uitstekende contracten hebben. Een mens is geen machine. Die heeft een eigen wil. Moet een mens vervangen worden, dan moet hij weg willen. Ik zorg ervoor dat hij dat wil. Ik confronteer hem met de feiten. Niet op papier of in een laffe presentatie. Ik leg niets uit. Ik demonstreer. Ik laat hem ontdekken wat hij wil, door te doen wat hij niet wil. Ik word dan beschuldigd: ik zou het bedrijf kapot aan het maken zijn, en wat ik doe is onvoorstelbaar. Hoe is het mogelijk? Ik ben een schoft.

Verandering is onvermijdelijk. Vasthouden aan het oude doet een bedrijf meer kwaad dan goed. Voor een bedrijf geldt slechts één regel: het moet werken. Of jij dat nou wilt of niet. Het bedrijf moet zich aanpassen. Begrijp je dat niet? Het bedrijf is op dat moment ‘jouw’ bedrijf helemaal niet meer: het bedrijf gaat het anders doen, en beter, en jij… hoort daar helemaal niet meer thuis.

Nee, uitleggen heeft geen zin. Ik laat het zien.

Het duurt niet lang voordat ik opgehaald wordt. Als ik opsta kleeft mijn broek aan mijn billen, maar ik schud de handen stevig. Ik loop langs de balie richting lift. Ik werp een blik opzij naar de Poortwachter. Ze kijkt terug. De zoveelste eerste kennismaking verloopt als alle andere. Achter de glazen pui dezelfde geveinsde vriendelijkheid en plastic glimlachjes die de stewardess me eerder al opdiende. En ook de stille haat van de taxichauffeur. Verder subtiele pogingen van de managers er achter te komen hoe laat het is. Waar ze zijn en waar ze morgen naar toe moeten. Want morgen, een dag na mijn komst zal hun vertrouwde kantoor een andere plek geworden zijn. De tijd bepaalt ook hun plaats.

Uren later vind ik mijn weg naar buiten. Eenmaal beneden zit ze nog achter de balie. Ze ziet me de lift uitkomen en ze roept me naar haar toe; ik had al gehoopt dat ze dat zou doen. Ze wil wat afspreken. Ik ben gesloopt, en verlang naar het lege bed van mijn hotelkamer. De volgende dag heb ik tijd, zeg ik. We gaan uit eten.

De volgende dag zou ze niet werken en inderdaad, er zit vandaag een andere knot. Eenmaal op de afdeling kan de sloop beginnen. De voorzichtigheid van de eerste ontmoeting ligt achter me. Niemand glimlacht meer.

Het is avond. Ik besluit te lopen naar het restaurant waar ik met haar heb afgesproken. Buiten trekt de wind aan mijn jasje zoals het aan alles trekt, in stoten en uit alle richtingen. De stoep is smal, de weg links van me is leeg, het gras rechts grijs in het donker. In de verte zie je het gele licht van lantaarnpalen op verschillende hoogtes. Wegen gestapeld op viaducten. In de gebouwen die ik passeer brandt het licht en zo kun je nu voor even door de spiegels heen kijken. Ze zijn bijna allemaal leeg. Er is niemand meer behalve soms helemaal bovenin het gebouw. Daar brand het licht dan iets warmer. Daar is nog iemand aan het werk. Iemand die begrijpt dat vroeger op staan dan de rest uiteindelijk moet betekenen dat je helemaal niet meer slapen mag.

Ik kom bij de splitsing. Ik steek links de weg over, ga over het zebrapad richting het hekwerk, loop om het zoveelste kantoorpand heen. Daarachter ligt mijn restaurant, een liefelijk oud gebouwtje verscholen tussen alle eenvormigheid. Een gezellige oase tussen de werkhuizen. Gezellig ook omdat het moet natuurlijk. Ook een restaurant moet werken en als het niet gezellig is, komt er niemand meer.

Mijn weg wordt geblokkeerd door een puincontainer, schuin op de stoep geplaatst. Ik volg de pijlen weer en loop tussen rood-witte hekken door, veilig over de weg. Op de hoek zie ik dat het restaurant er niet meer staat. In plaats daarvan een donkere leegte tussen de torens. Sloop en bouw op één plek. Een groot hekwerk verspert de toegang. Vlak achter het hek staat het projectbord:

“Hier komt Interim B.V.”

Verdomd. Ons nieuwe kantoor.

***

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s